10 vragen aan... Luc Van Litsenborg

Het is dinsdagmiddag 16:00 uur, tijd voor 10 vragen aan! Vorige week konden we de 10 vragen aan van lezen. Deze week is het de beurt van Luc Van Litsenborg deze gezellige zuiderling is geen onbekende in de roofviswereld en loopt al een aantal jaren mee ook in het wedstrijd circuit. Luc staat er bekend om dat hij een uitgelezen mening heeft over het roofvissen en gezien de ervaring die hij in het roofvissen heeft meer dan terecht! Dus pak een stoel en ga eens lekker zitten voor deze zeer uitgebreide 10 vragen aan!




VRAAG 1: Wanneer en hoe ben je begonnen met vissen?
ANTWOORD: Het vissen heb ik zeker niet met de paplepel ingegoten gekregen. Ik kom uit, hoe zal ik het beleefd zeggen, een milieu waar kinderen verondersteld worden tennis of hockey te spelen, of paard te rijden als het dan toch buiten moet, maar toch niet, god betert, vissen. Dan scheelde er toch iets aan je! En toch is het helemaal goed gekomen met mij. Het is allemaal begonnen met mijn oom die in zijn schuur een volglashengeltje had met een werpmolentje eraan. Ik was 5 jaar en kreeg het cadeau. Zo’n ding met geleideogen van pisbakkenijzer waarvan het chroom er snel afbladerde en de enige eigenschap van het molentje was, dat het draaide. Er zat nylon op en aan het einde een haakje maat 16 of zo. Hiermee ging ik op een golfbreker zitten, kneep wat brood op het haakje en liet het in het water dobberen. Ik ving (uiteraard) geen drol maar de opperste staat van zaligheid was meteen bereikt, en dat is nu 47 jaar later, niet veranderd, zij het dat dat hengeltje zich kwalitatief en kwantitatief sterk vermenigvuldigd heeft. Tot een punt waarop mijn vrienden zeggen dat ik eigenlijk een winkeltje heb i.p.v. een visschuur.

VRAAG 2: Heb/had je een voorbeeld, zo ja wie?
ANTWOORD: In feite heb ik niet één voorbeeld gehad, maar ontelbare. Vermits ik in mijn familie geen leermeester had, en in het begin ook niets ving, ging ik me dan maar naast succesvolle vissers neerzitten en kijken hoe zij het deden. Al snel leerde ik dat hoe meer je de domme uithing, hoe meer informatie ze je gaven. Zo heb ik mijn eerste voorns leren vangen met gekiemd kempzaad (hennep), vervolgens karpers op gekookte aardappels, deeg van Kittekat, de ganse boiliecyclus van 100% eiwitten tot nul eiwitten, van overbevolkte sterfput tot beenhard circuitwater. Om dan over te stappen naar de roofvisserij, en de ganse cyclus nog eens over te doen. Ik spreek een aantal talen en kan daardoor goed opvolgen wat er zoal gebeurt in de wereld. Door rond te neuzen, steek je overal wel wat op. De informatie die je vandaag met name op Youtube vindt, is eindeloos.



VRAAG 3: Kun je iets vertellen over je eerste vis?
ANTWOORD: Mijn allereerste vis, was een paling gevangen aan dauwpieren in een parkvijver in Oostende, het 'Bosje' genaamd. Ik zou je nog zo de stek kunnen aanduiden ook. Ik was zes jaar. Zoals dat ging in die tijd, beet de paling aan om 10.00 uur en sloeg ik aan om 11.00 uur, en hij ging er nog aan ook! Ik bespaar je de details van de operatie die erop volgende om de haak te recupereren. De paling is erin gebleven, de haak niet. Andere tijden.

VRAAG 4: Hoe deel jij je visseizoen in? Stel je jezelf doelen?
ANTWOORD: Daar zit zeker een lijn in. Ik doe heel graag mee aan wedstrijdtoernooien. Daarvan zijn er twee uitstekend georganiseerd, de Predatortour (Zweden en Nederland) en de Luremasters. De WPC daarentegen zal eeuwig blijven steken in willen maar niet kunnen, en stilaan heeft iedereen dat wel door. Meedoen moet je niet doen om de prijzen (enkel de eerste plaats is interessant en de rest is materiaal dat je eigenlijk niet wilt of nodig hebt) maar omdat je er een veel betere visser door wordt. Door de beperkingen die een wedstrijd je oplegt, worden fouten die je anders niet ziet, direct uitvergroot. Je moet natuurlijk naakt voor de spiegel durven staan, maar door die fouten op te lossen, ga je ongelooflijk veel progressie maken. Bij mijn eerste deelname in 2011, eindigden we voorlaatste en hadden we in drie dagen tijd, 2 vissen gevangen. We gingen HE-LE-MAAL de mist in. Man, man, ik kookte van woede. Ik zwoer tegen mezelf dat dit nooit, maar dan ook nooit ofte nimmer nog zou gebeuren, en vanaf dan is het altijd maar in stijgende lijn gegaan, tot het punt dat we nu min of meer vaste top-10 waarde zijn.

Dus einde mei, begin juni staat alles in het teken van de Predatortour. En daarna nog de goede weken van juni meenemen. Waar het 10 jaar terug, de vangsten goed bleven tot midden juli, zien we nu toch meer en meer dat de ondiepe kantvisserij einde juni gedaan is, om de eenvoudige reden dat de plantengroei tot aan het oppervlakte is doorgebroken, en de planten ook vol staan met slijmwieren waar met niets nog door te vissen is. De echt goede periode van het voorjaar duurt almaar korter, heb ik de indruk.



Begin juli begint de zomervakantie voor de kinderen, en gaat ook professioneel de broeksriem eraf. Voor mij is die maand tot halverwege augustus eigenlijk family time. Er wordt wel wat gevist, maar veel gedrevenheid komt er niet aan te pas. Er zijn heel veel lekkere dingen in het leven, en die krijgen nu wat meer voorrang.

Midden augustus begint het toch weer te kriebelen, want vijf weken later begint de Luremasters. En dat is best een taaie wedstrijd om voor te bereiden. Het duurt drie dagen en elke dag vis je op een ander water (Volkerak, Haringvliet en Hollands Diep) die onderling veel van elkaar verschillen. Het is best een hele opgave om ze alle drie in de vingers te krijgen. En er moeten meer vissen gevangen worden dan tijdens de Predatortour (15 in plaats van 9). Tactisch en sportief is de Luremasters dan ook uitdagender dan de Predatortour. Ik heb een absolute zwak voor deze wedstrijd. Dus tegen de derde week van september sta ik weer messcherp, en moet er thuis niet teveel aan mijn hoofd gezeurd te worden.

De Luremasters gaan naadloos over in het najaar. De gouden 10 weken van het jaar, van oktober tot midden december. Zuivere bakkentijd. Snoek, snoekbaars of baars, maakt niet uit, als het maar dik en groot is. Heel simpel: er mag maar één ding op de agenda staan, en dat is vissen. Nu moet je stinken naar vis.

Van midden december tot pak hem beet einde februari, is het de saaie winterperiode. Op zich ook een makkelijke periode want de vis ligt vastgeroest op de winterstekken. Maar moeilijk omdat de aasperiodes doorgaans kort zijn. En als ze in de winter vast liggen, liggen ze vast hè. En de klimaatwijziging helpt ook niet veel de laatste jaren. Lange periodes van koud maar rustig winterweer hebben plaats geruimd voor onstuimig winderige westcirculaties, waardoor er van een subtiele visserij nog maar weinig in huis komt. Teveel weekends moeten we thuis blijven.

Afsluiten doen we in maart. Het weer fleurt op en alle soorten staan nu op het dikst. Zoveel opties, zoveel keuzes. Alles zetten op die utopische 20 kg snoek met het risico tegen een hele serie blank dagen aan te lopen, of toch maar pelagisch achter de dikke snoekbaarzen aan, afgewisseld door kogelronde voetbalbaarzen? Maart is altijd te kort.

April is gedwongen afkicken hoewel ik in België nog wat kan doorvissen maar dat duurt ook niet eeuwig want eind april verdwijnen alle snoekbaarzen naar hun nest, en is ook dan het feest over. Gelukkig is er de Predatortour Zweden maar een eerste deelname zal maar voor 2020 zijn. Beetje karperen met de pen in mei, materiaal in orde brengen en verder afkicken tot einde mei, en daarna weer helemaal los. De cirkel is rond.

VRAAG 5: Welke sessie of vangst is het je meest bijgebleven?
ANTWOORD: Oh dat zijn er wel een paar van. Maar laat ik maar de vangst van een mega tarpon nemen want daar hangt weer een leuk verhaal aan vast. De meeste mensen reizen voor tarpon af naar Florida en andere Zuid-Amerikaanse landen, maar de grootste worden toch aan de West-Afrikaanse kusten gevangen. Ik wou het (uiteraard) weer katholieker dan de paus doen, en reisde een goede 10 jaar geleden, in mijn dooie eentje naar Gabon af, met tent en visgerei, om daar een boot met motor te huren, en vervolgens kamp op te slaan in één van de dorpjes in één van de grote lagunes die het land rijk is. Op zich al een grandioos verhaal. Daarna ben ik er nog twee maal naartoe gegaan, telkens met de tent. Relatief goedkoop en we konden vissen hoe en wanneer we wilden.
De tweede maal was met Geert Vandeplancke en Ronny De Groote.



Middenin de trip zitten we een beetje in een dip. Fishing is slow en de bootjongens die we hebben meegenomen, zijn moeilijk bij de les te houden, en hebben meer aandacht voor Judith, het kookmeisje dan voor ons. Tegen de avond ben ik de enige die erop uit trekt, samen met een stuurman, die, eenmaal de lijnen uitgezet, in het kajuitje kruipt en in een diepe roes in slaap valt. So much for the company! Een uurtje later, krijg ik daar out of the blue een loeier van een aanbeet, en na een epische dril, en vooral mijn keel schor te hebben geschreeuwd om die bootsjongen maar wakker te krijgen, hijsen we daar een joekel XXL tarpon aan boord. 2,40 meter lang, alsjeblieft. Daar kwam geen einde aan. Puur spier!

Eénmaal aan boord, krijgt die vis toch wel zijn tweede adem niet zeker! Spartelen is een understatement, werkelijk alles aan boord wordt aan gort geslagen, en we moesten echt in een hoekje springen om niet het ziekenhuis te worden ingeslagen. Dan maar wettige zelfverdediging en met een onooglijk hamertje tikken we de vis de eeuwige jachtvelden in. Ben er niet fier op maar het was hij/zij of ons.

Dan maar terug naar ons tentenkamp, en bij iedereen vallen de ogen bijna uit de kassen. Wat een absolute bak! De vis was zo zwaar en vooral zo glibberig dat we hem zelf met twee man onmogelijk uit het water konden tillen. We hebben er dan maar een bankje in het water onder geplaatst en met twee man gedaan alsof we hem effie met de glimlach konden vasthouden. Ronny trok een aantal mooie foto’s.

Maar goed, daar stonden we nu met die vis. Omdat we op 2-3 uur varen zaten van de stad, en we daar telkens terug naartoe moesten om grote vaten vol benzine te tanken, neem ik die vis mee om hem te verkopen of de plaatselijke visafslag. Nu vinden Afrikanen tarpon blijkbaar een delicatesse want ik word daar besprongen door een 20-tal Afrikaanse mama’s (allen a whole lot of woman) die allemaal een stuk van die tarpon willen, maar, natuurlijk, geen geld bij hebben om dat stuk ook te betalen. Allen zeggen ze dat ik na het versnijden maar naar hun standje in de vismijn moet komen om het geld op te halen. Je ziet het al komen hè. Noch voor ik het weet, is de vis in 20 stukken verdeeld, heeft er niemand betaald, en weet ik ook helemaal niet wie wat en hoeveel heeft meegenomen. En in die vismijn is het nog donker ook (om zoveel mogelijk vliegen weg te houden) en als het al niet makkelijk is een blanke in het donker te herkennen, dan lukt dat met zwarte Afrikanen al zeker niet. Algemene hilariteit in de mijn uiteraard want ik ben daar met nul frank buiten gegaan. Waardeloos businessplan. Luttele uren later, kende gans de stad het verhaal. De wraak van de tarpon: ik niets, jij dan ook niets.



VRAAG 6: Wat is je favoriete soort en welke techniek vind je het leukst? Wat is jouw favoriete visserij?
ANTWOORD: Ik ben een echte allrounder. Ik vang even graag snoek, snoekbaars of baars. En een roofblei of meerval vind ik ook leuk. Eén kanttekening: het moet groot zijn en het moet van groot water komen. Vissen in de polder op stropdassen of street fishend baarsjestikken kan mij niet bekoren. Het klassiek verticalen op snoekbaars, waarbij je doorgaans de kleinere exemplaren vangt, is dan ook maar iets dat ik in de winter doe, bij gebrek aan vettere tijden. Ik behoor ook bij de categorie die helemaal niet vies is van trollen. Trollen wordt vaak al minderwaardig bekeken maar daar ben ik het helemaal niet mee eens. Kijk maar eens naar Amerikaans walleye vissers die trollen tot een kunst hebben verheven. Ik vind het vreemd dat sommigen liever elitair werpend niets vangen dan trollend een boot vol vis. Dergelijke zelfkastijding is niet aan mij besteed.



VRAAG 7: Wat is het gekste wat je ooit aan de waterkant hebt meegemaakt?
ANTWOORD: Laat ik de vraag anders stellen, wat is het gekste dat ik zelf ooit gedaan heb? Volgt een 100% authentiek verhaal, geen letter van verzonnen of gelogen, maar kids alert: do not try this at home want de tijden zijn volledig veranderd. Dit is van ver vóór 9/11.

In mijn karperjaren, besluit ik een paar dagen te gaan vissen op Lac de la Madine, een tot dan zo goed als onbekend water. Om ook ’s nachts rustig te kunnen doorvissen, steek ik met de zodiac over naar een klein eilandje. Ik dacht er moederziel alleen te zitten, maar uit het groen komt plots een 16-jarige Fransman tevoorschijn die zijn vader had opgetrommeld (vermits hij minderjarig was) om te gaan vissen (waarbij het nogmaals bewezen is dat het voor ouders geen cadeau is als de kroost beslist te gaan karpervissen). We raken aan de praat en worden, en zijn nog steeds, boezemvrienden. Hij komt uit de streek rond Metz, wat achteraf een karper eldorado blijkt te zijn.

Nu ligt er aan de Moezel net voor Metz in het dorpje La Maxe een elektriciteitscentrale. Die loosde via een kanaaltje warm koelwater in een plas die in verbinding staat met de Moezel. In de winter trok uiteraard alle vis die plas op. Een goed alternatief voor het toen beenharde KK (Kempisch Kanaal). In het begin waren we ervan overtuigd dat hoe dichter we bij de warmwateruitlaat konden vissen, hoe beter we zouden vangen. We zagen die vissen daar immers constant springen. Maar probleem, we konden de wateruitlaat wel zien, maar deze lag binnen de met prikkeldraad omheinde centrale. Ook in het water lag een aan een brug vastgehangen rol prikkeldraad maar die kon aan de brug worden opgetrokken. De gelegenheid maakt de dief en zo was de kiem van een cunning plan geboren: we zouden tegen de avond de kabel met de prikkeldraad optrekken en vastleggen zodat er in een hoekje net genoeg plaats was om er met een zodiac onderdoor te varen om vervolgens aan de uitlaat te ankeren en vanuit de zodiac te vissen. Zo gepland, zo gedaan, maar in alle opwinding was ik vergeten te checken of mijn oude zodiac nog wel deugde. Je raadt het al: we lagen nog geen minuut voor anker of we hoorden uit wel tien gaatjes psssssssssshhhhht komen, en het ding bleek zo lek als een zeef, en als half verzopen ratten zijn we uit die centrale weg gekomen.



Nu laat ik mij niet zo snel uit mijn lood slaan. Zo ben ik wel, als de zee moet splitsen, zal ze ook splitsen. Ik had toen al een voerboot, en wat met de zodiac niet lukte, moest dan maar gebeuren met dat ding. Om de rig goed te kunnen droppen, moest ik dan echter telkens mijn stek verlaten, en naar het bruggetje gaan om het bootje net onder de opgetrokken prikkeldraad te manoeuvreren en zo verder de centrale in tot de warmwateruitlaat. Het lukt wonderwel en na de zoveelste run sta ik daar om 03.00 uur ’s nachts opnieuw op die brug, tot er juist om de hoek een auto komt aangereden. Dat had ik al die jaren nog nooit meegemaakt, en dus niet verwacht. En, een ongeluk komt nooit alleen, het was nog een politiewagen ook. Daar stond ik dan in de dimlichten van een politiewagen, voorover gebogen aan een brug, met een afstandsbediening in mijn handen, en mijn voerboot die binnen de centrale lag te dobberen. Om 03.00 uur ’s nachts. Gloeiender kan je er niet aanhangen hé. Ik zag de koppen op de voorpagina van de Franse kranten al zo voor me opdoemen, de voorleiding bij de onderzoeksrechter, de tussenkomst van mijn stafhouder. O jee, o jee.

In zo’n situatie kan alleen kalmte je redden. Ik had ook geluk dat het een één mans patrouille was. Oom agent stapte uit, en vroeg beleefd wat ik daar deed. Ik vertelde hem eerlijk dat ik Belg was, en een paar dagen kwam vissen, en wees hem naar de stek waar ik zat, en dat ik door de koude niet meer kon slapen, en daarom wat aan het wandelen was en op de brug stond te kijken naar de warmwater uitlaat. En wonderwel, de mayonaise pakte toch wel zeker, en hij geloofde mijn verhaal. Hij bleef nog een paar minuten doorkletsen, stapte daarna in zijn auto en reed verder. Al die tijd had ik voorover gebogen aan de brug gestaan, met die afstandsbediening in mijn handen en mijn voerboot (met een rood lichtje achteraan) die binnenin de centrale dobberde. En al die tijd had hij niets in de gaten. Je moet wat geluk hebben in het leven, maar dit is werkelijk het aller, allerkleinste gaatje van de naald waar ik ooit ben doorgekropen. Daarna heb ik nooit meer in dat kanaaltje gevist want het begon te dagen dat we daar heel veel vingen, maar doorgaans kleinere vissen. De grotere vissen bleven op de plas zwemmen, en toen we daar zijn beginnen te vissen, hebben we werkelijk een karrenvracht aan grote vissen gevangen. Gekruid door een kat en muis spel met de BOA’s die ons ’s nachts nooit hebben weten te pakken. Maar dat is weer een ander verhaal. Heerlijke tijd.

VRAAG 8: Wat is je grootste blunder tijdens het vissen geweest?
ANTWOORD: Vele, kleine en grote, maar met stip toch die keer dat ik tijdens een buitenlandtrip mijn hengel op het strand had gelegd zonder de reel in vrijloop te zetten. De beet zat er niet echt in, de aandacht verslapte, en jawel een keiharde aanbeet, en weg gleed hengel en reel, never to be seen again. Een topdag in mineur dus.



VRAAG 9: Met wie zou je nog wel eens willen vissen?
ANTWOORD: Ik heb niet echt idolen naar wie ik opkijk. Ik vind niet dat er in de roofvisserij mensen zijn die er met kop en schouders bovenuit steken (zoals je dat in de karpervisserij wel had met bv. een Luc De Baets). Ik houd ook niet van die platvloerse commercie, zo zielig soms. Gelukkig zijn er rotsen in de branden, types als Volkmar Strikkers, Nils Gabsa, Hendry Vis, HJ Verheij, e.a. Oerdegelijk zonder franjes. Het zou geen straf zijn om eens samen met die mannen te vissen. Maar in de regel vis ik het liefst alleen, of met enkele hele goede vrienden met wie ik aan een half woord genoeg heb, om elkaar te begrijpen.

VRAAG 10: Welke visdroom zou je nog willen verwezenlijken?
ANTWOORD: Oh, dat zijn er nog vele. Ik ben een totale areligieuze persoon. Ik geloof (ik zeg niet dat ik het weet want dat is iets anders) niet in een leven na de dood. En dus ben ik het aan mezelf verplicht om er bij leven het maximale uit te halen. Ik wil eerder sterven met veel goede herinneringen dan met veel (niet gerealiseerde) dromen. Ik ben goed bezig maar zeker het lijstje exoten is nog vrij lang. Bovenaan het lijstje staat een grote prachtige Napoleonvis. De naam alleen al. Keizerlijke vis. Beetje kruising tussen een schubkarper en een roofvis. Sluit perfect aan bij de visserij die ik al 40 jaar beoefen. Tot het zover is, kwijl ik weg bij de foto van Ronald Traas.



Tot zover de 10 vragen aan van Luc Van Litsenborg. Volgende staat alweer klaar voor  22 januari, wie dat is? Tsja, dan moet je even wachten.

MEER 10 VRAGEN AAN LEZEN? KLIK DAN HIER!

Om de bijhorende reacties te bekijken heb je een account nodig.

Registreer of log in als je reeds een account hebt.

Leden

21192

Foto's

92088

likes

244